Monthly Archives: September 2016

The worker must have bread, but she must have roses too.

img_2929Mural in Panagi Tsaldari Street, by street artist INO. 

While writing my name on Grigoris’ arm, I am aware that I will never be able to visit all the addresses he has just given me; let alone to interview all the people involved in these collectives. After all, at this moment, I only have two full days left. Grigoris works at a collective restaurant called Bread and Roses, referring to the successful 1912 Massachusetts textile riots. The words “bread and roses” are Rosa Schneiderman’s. She wrote a speech in which she proclaimed: “The worker must have bread, but she must have roses, too”. Of course, Schneiderman led a women’s movement in a specific moment of time. However, I think that her speech touches upon much larger issues that are at the centre of the resistance in Greece today.

Capitalism did not only transform labour into a commodity by presenting it on the market as any other good[1], but also brought along a strong belief in Homo Economicus. Or perhaps, rather than capitalism as such, it was the Austrian school that professed and promoted the idea that egotism and competitiveness are part of human nature. Without entering into a debate about the distinctive nature of Neoliberalism and how different it is from the era that Marx and the Austrian School were writing in and reflecting upon, I think that what I see here in Greece can be directly linked to the liberal spirit of free market idolatry, the atomization of the individual, but also, and simply, cruel dehumanizing, or as Marx would call it, alienating labour due to exploitive conditions. I am aware that I am referring to a lot of theories in one go, and it seems quite all encompassing.

However, it could also be put more straightforwardly: the people I have met here in Greece are resisting. And they are not only resisting low payrolls. What they seem to express is a desire to live differently, more ethically, for their own sake, but also for that of the community. There’s a powerful discontent vis-à-vis working conditions, but not criticizing the hard work and the unpaid overtime per se. What makes the working conditions unbearable is the insignificance it has; coming in at work in the morning and leaving late at night, giving up your time for something you do not really believe in, for an unknown cause you have little say in. The only use for it being: getting a pay. Because “all economic connections between individuals run through the market, each is isolated as an economic entity”[2]. Being reduced to this state of a floating island trying to accumulate figures, you are unable to realize something else, you do not have the power to do so.

The collectives, and other groups seeking to function autonomously, are the very expression of resisting that atomized individual. Every collective seeks to find its own goals, very often political, but almost exclusively ethical. By having everyone stand on an equal footing, everyone can engage as much as they want with the projects at hand. In this manner, working is not only about adding numbers to your bank account, about forgetting what you do to get on with life, it becomes a question of creation. The work belongs entirely to the workers. The workers are no longer workers, but they are the people we know, all trying to build something for a sustainable community, which needs festivals, art, music as much as a roof above everyone’s head and three meals a day.

Bread and Roses, and the other collectives I visited are very much aware of it. They perhaps don’t even think about its necessity, it seems self-evident. During the last weekend of my stay, there were two concerts organized at Bread and Roses, a party in the social center[3]Nosotros and a Mojito evening in the shop Lacandona. So yes, “what the woman who labors wants is the right to live, not simply exist — the right to life as the rich woman has the right to life, and the sun and music and art. You have nothing that the humblest worker has not a right to have also. The worker must have bread, but she must have roses, too”.

 

Solange Manche, École des Hautes Études en Sciences Sociales & École Normale Supérieure de Paris, Literary Theory. University of Utrecht graduate. 

 

[1] This refers to Marx’s Capital. To understand commodification and commodification of labour, see chapters 4, 5, 6, 7 and 10 of Capital, volume 1.

[2] Gareth Dale. Karl Polanyi: The Limits of the Market. Cambridge: Polity Press, 2010.

[3] The way they describe their activity in the neighbourhood of Exarcheia

Evzone

Sprong op 27 april 1941 een Evzone van de Akropolis af, gehuld in de Griekse vlag? Omdat een Duitse patrouille hem dwong de Griekse vlag te strijken en hij sprong voordat de nazi-vlag gehesen werd? Of is dat een apocrief verhaal? Waar is, dat er onderaan de plek waar hij dat deed, of had kunnen doen, een marmeren plaquette staat met vermelding van zijn naam en de gebeurtenis. En dat vanaf de Akropolis gezien, de hoogte ijzingwekkend is – 200m?

Toen ik er kennis van nam in 2008 – ik verbleef de maand september van dat jaar in de Van Hasseltkamer van het N.I.A., met een werk-/reisbeurs van het Nederlands Letterenfonds – bleef die sprong maar in mijn hoofd rondspoken. Niet vanwege het ‘heldendom’: dat is dwaas, in mijn ogen. Maar vanwege de absolute keuze: ‘ik kies met alles wat ik heb en die ik ben’. En dat betekent hier: ‘ik spring’.

Ik schreef een lang gedicht met de titel “Lied voor Konstandinos Koukidis”. Het werd nog tijdens mijn verblijf te Athene gepubliceerd (in poëzietijdschrift Awater, najaar 2008, jrg 7, nr 3, pp. 24-25), zie http://www.mariavandaalen.com/2008-2/ (scroll down) voor de gehele tekst. Maar ik bleef het vreemde gevoel houden dat ik het de Evzones zou moeten voorlezen. Daar kwam het niet van. Er was op zeker moment wel een Engelse vertaling beschikbaar, van Renée Delhez, maar…

En toen liep ik vandaag, acht jaar na dato, opnieuw langs het presidentieel paleis. Ik dacht niet aan de Evzones, ik was onderweg naar het Byzantijns museum. Maar toen ik halverwege de Οδός Ηρώδου Αττικού was, zag ik ineens de aanvang van de wisseling van de wacht. Ik liep nog enkele meters langzaam omhoog, aan de linkerkant van de weg (met links het Zappeion-park), totdat ik ter hoogte van de wacht (tegenover de Evzones) was gekomen en besloot om nog eens rustig te kijken. Ik stond naast een militair van een hogere rang (kapitein?) en vroeg hem voorzichtig of hij Engels sprak. Dat sprak hij. Zelfs met een mooi Oxford-accent. Ik vroeg hem of de wonderlijke uitvoering van wat de Evzones deden, misschien een dans was? Of een deel van een dans? Met een choreografie? Nee, dat was niet zo, zei hij. Maar er bestond wel een heel uitgebreid reglement voor.

En toen legde hij me uit dat het rood van het uniform (de hoofddeksels) het bloed van de soldaten symboliseert. De lange zwarte kwasten aan de hoofddeksels, en ook de kleinere kwasten aan de kousenbanden, symboliseren de tranen van de moeders. Dat die kwasten bovenin zijn samengebonden, symboliseert de eenheid van Griekenland. De 400 plooien in de witte rokken die ze ‘s zondags dragen, symboliseren de 400 jaren van de Ottomaanse overheersing. Onder hun schoenen hebben ze hoefijzers. Daarom kletst het zo op het marmer als ze die vreemde beenbewegingen uitvoeren, die op zich weergeven hoe een paard stapt. Als de gehele compagnie uit de kazerne komt en naar de uitgang marcheert, stampen ze heel hard met die schoenen-met-hoefijzers opdat de doden zullen horen dat er nog altijd levende soldaten zijn die de wacht houden.

Toen we in het gesprek zover gevorderd waren, waren de twee Evzones aan de overkant van de straat klaar met de voorstelling van wederzijds gespiegeld been-opheffen, schoen-op-straat-kletsen, geweer presenteren. Beide soldaten stonden weer voor een wachthuisje. De kapitein (nogmaals: als dat zijn rang is) die ‘gewoon’ soldatengroen aan had, en een blauwe baret, verontschuldigde zich en stak de weg over, om bij beide doodstil staande Evzones hun kwasten goed te hangen en alles aan hun kleurige uniform te controleren, dat het zou hangen zoals voorgeschreven.

Ik zocht mijn gedicht op en liet hem dat lezen op mijn mobiel. Ja, hij kende zeker de geschiedenis van Konstandinos Koukidis. En benoemd te worden tot Evzone behoort in het Griekse leger tot de hoogste eer. ‘Eer’ en ‘heroïsch’ is niet aan mij besteed. Maar de absolute keuze voor dat waarvoor men staat: dat wel.

“Niemand springt van de Akropolis
om het land te redden
of de taal
of zelfs maar de naam van de vlag.”

Sommige berichten komen aan na jaren. Ik heb hem het gedicht gestuurd.

 

 

 

 

HET IS

p1050648
“Het is dezelfde koningspage
die dood, en leven, en weer dood,
ineenvliegt.

Zoals de ekster, die de deur wijst van de tempel
en erdoor verdwijnt.

Zoals de man die rondliep in de Stoa met een krans van
plastic mirtetakken om zijn haren: wat betekent dat?

[Ik moet een plek in het spel vinden voor iedereen, de maskers liggen klaar. Zouden ze passen.]”
….

koningspageIn 2008 zwierden er twee van die enorme vlinders rond mijn hoofd gedurende de hele wandeling, de Akropolis op en weer af: koningspages (Iphiclides podalirius). En nu weer, eentje, die mij tegemoet komt bij de tempel en heen en weer vliegt tussen mijn hand en een van die weinige boompjes die er groeien, bovenop de rots. De eerste dichtregel komt vanzelf.

Ik had iets als ‘inspiratie’ nodig, dat is, een verschuiving, in het denken, in het kijken, in het aanwezig zijn. En ik vroeg of ik weer te NIA mocht logeren, een paar dagen. Wat een heerlijke plek. Stap het moment in, en de eeuwigheid; dat is immers hetzelfde. Goden worden niet ouder of jonger, Muzen ook niet.

In het museum met kunst van de Cycladen exposeert Ai Weiwei: een gasmasker van lichtgroen marmer. Ik kan het vertellen, of een foto laten zien, maar wat het doet als je werkelijk aanwezig bent, kan ik alleen in een gedicht zeggen.

Op weg naar Athene

img_2785Rosa Nera. Chania. 

Hopende op een lift vanuit de buitenwijk van Rethymno naar het centrum steken we onze duimen op. Na niet al te lang wachten krijgen we een lift van een jonger stel dan wij zelf. Ik schat dat ze nog geen twintig jaar oud waren. Twee economiestudenten uit Zwitserland. Onze manier van reizen werd goedgekeurd, ze vonden het erg avontuurlijk, “bohemian” zelfs, maar ook gewoon gezellig. Ze vroegen ons natuurlijk wat we in Griekenland deden en ik vertelde ze dat ik onderzoek ging doen naar alternatieve economievorming in Athene.

“Wat is dat dan precies alternatieve economie?” vroeg het meisje.

“Nou, ik wil kijken hoe mensen een parallelle economie proberen op te zetten, bijvoorbeeld door hun eigen groenten te verbouwen of gratis taallessen of muzieklessen aan te bieden.”

“Maar is dat niet juist een stap achteruit?”

Ik vertel haar dat men met de huidige omstandigheden in Griekenland, en met name in Athene, waarschijnlijk niet heel veel keus heeft, maar ook dat het misschien een goed perspectief kan bieden; nieuwe mogelijkheden.

De reactie van de economiestudente is waarom ik precies naar Griekenland gekomen ben en doet me sterk denken aan mijn scriptieonderzoek die voort was gekomen uit mijn verbazing dat na de crisis iedereen het huidige economische systeem toch nog blijft aanhangen. In mijn scriptie probeer ik te laten zien hoe, volgens mij, dit sterke geloof in de vrije markt deels te danken is aan Ayn Rand’s Atlas Shrugged. Hoewel de neoliberale hegemonie voort blijft kabbelen, lijkt men zich in Griekenland te hervormen.

Op Kreta, waar ik voordat ik mijn onderzoek begon in Athene naartoe ben gegaan, heb ik dit kunnen ervaren. Met zware tassen op onze rug, nadat we door een F16 piloot van Rethymno naar Chania zijn gebracht, gaan we op een terrasje zitten met wifi-verbinding om een hostel te reserveren. Ik moet ook even naar de WC en zie daar op de deur drie Antifa-stickers hangen. Aangezien ik weet dat er een kraakpand in Chania is waar ze veel culturele activiteiten organiseren, Rosa Nera, vraag ik aan een jongen die daar werkt of hij iets van Rosa Nera afweet.

Na een levendig gesprek weet ik al heel veel over Chania. De jongen, Billy genaamd, blijkt namelijk onderdeel te zijn van een collectief die de groenten verbouwt die in het café/bistro geserveerd worden. Ze zijn pas geopend, hebben geen hiërarchische structuur, en hebben het pand gekocht wat ze gezamenlijk geheel hebben opgeknapt. De keuken ziet er prachtig uit.

Op weg naar de WC wordt mijn mening gevraagd, en draag ik bij aan een vergadering. Aangezien ze het café net hebben gekocht, werkt iedereen voor 20 euro per dag om de schuld af te kunnen betalen. Ze willen alleen een muzikant uitnodigen om bij hun te komen spelen. De vraag is dan ook: is het wel eerlijk als de muzikant 50 euro verdient terwijl iedereen in het café voor minder werkt? Is dat echt gelijkheid? Of moeten we ons salaris opnieuw gelijk verdelen?

Ik heb misschien de oplossing. Ik stel voor dat ze kunnen kijken hoeveel ze over het algemeen verdienen op de dag dat ze de muzikant uit willen nodigen. Aangezien ze hoogstwaarschijnlijk meer zullen verdienen als ze live muziek hebben, kunnen ze de muzikant aanbieden om de meerwaarde aan hem te betalen. Ze vonden het een goed idee.

Billy is erg enthousiast over mijn interesse en heeft me verder op weg geholpen voor mijn onderzoek in Athene. Ik heb veel van hem geleerd. Zo weet ik nu dat ik altijd de mensen die ik interview moet vragen of ze anoniem willen blijven. Er zijn veel confrontaties tussen extreem links en rechts. Billy wilde bijvoorbeeld dat de naam van het café niet genoemd zou worden. Zijn roepnaam mocht ik wel gebruiken.

Vandaag ga ik naar de wijk Exarcheia, opzoek naar een imaginaire alternatieve urban planning.

 

Solange Manche, Engelse Taal en Cultuur, Universiteit Utrecht